I'm a grumpy old woman who likes to read










Saturday, July 18, 2020

Eerste dag



Het is de eerste dag van de grote vakantie en ik voel me beroerd. Niet een klein beetje, maar een groot beetje.Vanochtend duizelig opgestaan, mijn darmen zijn van streek en ik vraag me af of dit nu het corona-virus is. Het zweet breekt me uit.

Ik besluit toch maar op te staan. Stel dat ik naar de eerste hulp moet, dan in ieder geval aangekleed. 

Tegen de tijd dat ik wat water heb gedronken en een paar boterhammen heb gegeten, voel ik me iets beter. Ik beef alleen nog, want ik ben nog niet over de schrik heen. De kat is ook uit zijn doen. Normaal spelen we altijd even en is etenstijd een klein feestje voor hem, nu kwak ik zijn eten snel in de bak, geef hem schoon water en vergeet zijn snoepje. Ik ga eerst weer een poosje zitten. Als het geen corona is, dan toch een hartaanval.

Ik open het keukenraam en frisse lucht voelt ook wel weer goed. Een oxazepammetje dan maar? Waarom niet, als het een paniekaanval is, zal het zeker helpen en als het wat ernstiger is niet. 

Ik ga maar weer een poosje zitten en doe een hazenslaapje. Daarna voel ik me nog steeds wiebelig, maar op dit moment niet meer alsof ik elk moment ter aarde kan storten. Het kon natuurlijk ook zijn dat ik wat te weinig water had gedronken. Nu ik een zekere leeftijd heb bereikt, merk ik vaker dat ik wel eens vergeet te drinken.

Als doorgewinterde hypochonder heb ik in mijn leven al aardig wat meegemaakt en ik ben ook een expert geworden in symptomen zoeken op het internet. Dat doe ik tegenwoordig trouwens eigenlijk nooit meer. De ziektes die ik dan denk te hebben zijn vaak nog veel erger dan wat ik zelf al had bedacht, dus dat maakt de zaak alleen maar erger. Ik weet dat ik een enorme hypochonder ben, maar ook dat helpt niet, want ook hypochonders worden ooit wel een keer ziek en wie zegt er dat dat nu niet het geval is?

Eén ding geeft me nog een sprankje hoop. Ieder jaar als ik de zomervakantie weer heb gehaald, na een jaar tieners lesgeven en alle perikelen die daar bij horen, ben ik ziek, zwak en misselijk, of krijg ik een zware verkoudheid. Ik weet het altijd uit te stellen tot de eerste dag, dat weer wel dan, maar het is steevast hetzelfde liedje. Je kunt er letterlijk de klok op gelijk zetten. Afgelopen voorjaarsvakantie was het ook meteen de eerste zaterdag raak. Zwaar verkouden (of was dat toen misschien al de corona?) en daar ging mijn weekje vakantie. Ik ken collega's die altijd in het weekend een migraine-aanval hebben, nog erger dus.

Vanaf begin maart heb ik vanuit huis gewerkt. Ik kon de eerste weken samen met alle collega's digitaal lesgeven en aangezien ik graag met computers werk, was dat, afgezien van de dreiging van het virus, eigenlijk helemaal niet vervelend, maar toen het langer ging duren en ik de laatste weken eigenlijk nog de enige was die op afstand lesgaf, werd het steeds zwaarder. Ik miste mijn leerlingen, maar nog niet genoeg om alweer fysiek les te gaan geven en gelukkig was daar gezien mijn leeftijd alle begrip voor en kon ik nog even doorgaan, zelfs na 1 juli toen we eigenlijk alles al weer normaal mochten doen. Gek genoeg miste ik ook mijn reistijd (met en zonder files), iedere dag totaal zo'n anderhalf uur, maar dat zag ik aanvankelijk ook als een voordeel omdat ik die tijd kon benutten om leerlingen die buiten de boot dreigden te vallen extra online bij te spijkeren. Kortom, digitaal lesgeven was voor mij echt geen straf, maar ik merkte wel dat ik veel meer uren draaide dan wanneer ik voor de klas kon staan, want je ging nooit meer gewoon van je werk naar huis. Ik heb het "geluk" dat ik alleen woon, dus er was ook nooit iemand die zei dat ik er nu maar eens even mee moest ophouden en moest gaan relaxen.

Inmiddels schijnen de corona-besmettingen, in ons land althans, af te zwakken en besloot ik vorige week toch weer de eindvergaderingen fysiek op school te gaan bijwonen. Na 4 maanden thuiszitten en vrijwel niemand zien (behalve dan via Zoom en Teams) en de redelijk gunstige ontwikkelingen in ons land, dacht ik dat het wel weer zou moeten kunnen, dus voorzien van de nodige ontsmettende handgel begaf ik me dan toch eindelijk weer naar school.

Het was veel spannender dan ik had gedacht. De meeste collega's hielden zich niet aan de extra afstand en binnen de kortste keren hingen er alweer mensen over je heen en hoe fijn ik het vond om toch weer een klein beetje in het normale leven te staan, de afgelopen vier dagen waren behoorlijk zwaar. En dan heb ik het nog niet eens over de afgelopen vier maanden, toen ik elke ochtend wakker werd met het gevoel of ik een betonblok op mijn maag had liggen en ik niet het idee had dat ik ook maar een seconde kon verslappen wanneer ik even buiten was of voor de broodnodige etenswaren even naar de supermarkt moest gaan. Ik ben trouwens ook veel te weinig buiten geweest.

Een echte ziekte of de zoveelste paniekaanval, op dit moment weet ik het niet. Ik heb trouwens wel weer dit stukje zitten schrijven zonder al te veel typefouten, dus misschien komt het nog goed. Duimen maar. Misschien moet ik gewoon weer eens Three Men in a Boat van Jerome K. Jerome gaan herlezen. Het begin is behoorlijk herkenbaar .....

There were four of us—George, and William Samuel Harris, and myself, and Montmorency.  We were sitting in my room, smoking, and talking about how bad we were—bad from a medical point of view I mean, of course.

We were all feeling seedy, and we were getting quite nervous about it.  Harris said he felt such extraordinary fits of giddiness come over him at times, that he hardly knew what he was doing; and then George said that he had fits of giddiness too, and hardly knew what he was doing.  With me, it was my liver that was out of order.  I knew it was my liver that was out of order, because I had just been reading a patent liver-pill circular, in which were detailed the various symptoms by which a man could tell when his liver was out of order.  I had them all.

It is a most extraordinary thing, but I never read a patent medicine advertisement without being impelled to the conclusion that I am suffering from the particular disease therein dealt with in its most virulent form.  The diagnosis seems in every case to correspond exactly with all the sensations that I have ever felt.

Man reading bookI remember going to the British Museum one day to read up the treatment for some slight ailment of which I had a touch—hay fever, I fancy it was.  I got down the book, and read all I came to read; and then, in an unthinking moment, I idly turned the leaves, and began to indolently study diseases, generally.  I forget which was the first distemper I plunged into—some fearful, devastating scourge, I know—and, before I had glanced half down the list of “premonitory symptoms,” it was borne in upon me that I had fairly got it.

I sat for awhile, frozen with horror; and then, in the listlessness of despair, I again turned over the pages.  I came to typhoid fever—read the symptoms—discovered that I had typhoid fever, must have had it for months without knowing it—wondered what else I had got; turned up St. Vitus’s Dance—found, as I expected, that I had that too,—began to get interested in my case, and determined to sift it to the bottom, and so started alphabetically—read up ague, and learnt that I was sickening for it, and that the acute stage would commence in about another fortnight.  Bright’s disease, I was relieved to find, I had only in a modified form, and, so far as that was concerned, I might live for years.  Cholera I had, with severe complications; and diphtheria I seemed to have been born with.  I plodded conscientiously through the twenty-six letters, and the only malady I could conclude I had not got was housemaid’s knee.

I felt rather hurt about this at first; it seemed somehow to be a sort of slight.  Why hadn’t I got housemaid’s knee?  Why this invidious reservation?  After a while, however, less grasping feelings prevailed.  I reflected that I had every other known malady in the pharmacology, and I grew less selfish, and determined to do without housemaid’s knee.  Gout, in its most malignant stage, it would appear, had seized me without my being aware of it; and zymosis I had evidently been suffering with from boyhood.  There were no more diseases after zymosis, so I concluded there was nothing else the matter with me.

I sat and pondered.  I thought what an interesting case I must be from a medical point of view, what an acquisition I should be to a class!  Students would have no need to “walk the hospitals,” if they had me.  I was a hospital in myself.  All they need do would be to walk round me, and, after that, take their diploma.

Then I wondered how long I had to live.  I tried to examine myself.  I felt my pulse.  I could not at first feel any pulse at all.  Then, all of a sudden, it seemed to start off.  I pulled out my watch and timed it.  I made it a hundred and forty-seven to the minute.  I tried to feel my heart.  I could not feel my heart.  It had stopped beating.  I have since been induced to come to the opinion that it must have been there all the time, and must have been beating, but I cannot account for it.  I patted myself all over my front, from what I call my waist up to my head, and I went a bit round each side, and a little way up the back.  But I could not feel or hear anything.  I tried to look at my tongue.  I stuck it out as far as ever it would go, and I shut one eye, and tried to examine it with the other.  I could only see the tip, and the only thing that I could gain from that was to feel more certain than before that I had scarlet fever.

Man with walking stickI had walked into that reading-room a happy, healthy man.  I crawled out a decrepit wreck.





From: Three Men in a Boat by Jerome K. Jerome

Friday, July 03, 2020

Mobiel virus

Nu we weer een klein beetje een normaal leven kunnen gaan leiden en ik het idee heb dat alles misschien toch ooit nog wel eens goed gaat komen, zijn er dingen die me nu zo langzamerhand gaan opvallen. Het is bijzonder om te ontdekken dat mensen binnen een maand of drie behoorlijk goed getraind zijn. Het voelt inmiddels heel ongemakkelijk als iemand te dicht bij me komt staan of in mijn richting hoest. Wanneer ik (heel voorzichtig) nu toch af en toe weer eens op visite ga (juiste afstand, zo min mogelijk dingen aanraken en al helemaal geen levende wezens), probeer ik voortdurend nergens aan te komen, inclusief mezelf. Op de roltrap in het winkelcentrum gaat mijn nekhaar overeind staan als iemand te dicht bij rochelend zijn neus ophaalt en als iemand me dreigt aan te raken, krijg ik de neiging te gaan meppen. Pavlov had helemaal geen hond nodig gehad. Hij had het met een mens ook prima aangekund.

Het ergste dat me opviel was dat iedereen in Zoomvergaderingen inmiddels ook zo geconditioneerd is, dat ze allemaal in hun elleboog kuchen terwijl ze toch meestal alleen in een ruimte zitten. Erger nog, ik merk dat ik dat zelf ook doe, terwijl ik zonder dat er een camera op me gericht is toch echt nog altijd gewoon de ruimte in hoest. Ik moet er wel bij vertellen dat ik alleen woon en dat ik al  minstens vier maanden niemand op bezoek heb gehad en de komende maanden ook nog echt geen plannen heb om mensen uit te nodigen.

Zo snel gaat dat dus, als we het maar allemaal willen. Ik voel me tegenwoordig echt ongemakkelijk als ik moet hoesten of mijn keel schraap voor ik moet gaan praten.

Ik heb een prima idee. Laten we nu meteen allemaal gaan afspreken dat we ons mobieltje niet meer voor laten gaan. Sterker nog, laat het onbeleefd worden om meteen antwoord te geven op een berichtje. Laten we een soort app-uurtje instellen. ’s Avonds net na het eten kijkt iedereen even op zijn mobiel en beantwoordt de berichtjes. Wanneer je met iemand in gesprek bent, neem je nooit, maar dan ook echt nooit, meer je telefoon in de hand. In openbare ruimten wordt het gênant om met een mobiel in de hand te lopen en nog erger is het als je in een mobiel loopt te praten als je in openbare ruimten bent.

Drie maanden dus, dan zijn we voorgoed van dat probleem af. Laat dat het nieuwe normaal worden en laat het coronagedoe het tijdelijke abnormaal blijven, want daar zijn we, net als voortdurend bereikbaar moeten zijn, niet voor geschapen.

Thursday, December 12, 2013

Tandartsleed (2)


Toen ik een jaar of zestien was, werden we van ziekenfonds ineens particulier. Voor dokter- en tandartsbezoek betekende het vooral dat je vanaf dat moment ineens op afspraak kon komen. Je belde gewoon op, sprak een tijd af, en met een beetje geluk hoefde je nooit meer langer dan een minuut of tien te wachten.

De tandarts met de worstvingers had zich inmiddels op onze kosten op een tropisch eiland teruggetrokken en zijn opvolger was een klein, donker en vooral zenuwachtig mannetje, dat aanvankelijk een verbetering leek te zijn, maar die, nadat hij in mijn rommelige mond had rond getuurd, danig bedenkelijk begon te kijken. Behandelingen werden steeds langer en vervelender, maar ik bleef trouw ieder half jaar gaan, zelfs toen dat van mijn eigen verzekering al lang niet meer nodig was. Het trauma groeide echter en het was niet zozeer de pijn (want inmiddels hoorden verdovingen bij zowat elke behandeling en was het alleen vervelend dat je soms uren later nog liep te kwijlen zonder dat je het merkte), maar de tandartsstoelen werden steeds geavanceerder en voor de tandarts ergonomisch steeds meer verantwoord, zodat je tijdens de behandeling niet zomaar meer kon zitten, maar vrijwel ondersteboven werd getakeld.

Nu heb ik als kind altijd geleerd om NOOIT, maar dan ook helemaal NOOIT, met iets in je mond op je rug te gaan liggen, want de kans was dan heel groot dat je zou kunnen STIKKEN. Je kunt je dus mijn afschuw voorstellen wanneer de tandarts de stoel zowat ondersteboven kantelt en met allerlei kleine boortjes en frutseltjes in mijn mond bezig gaat zitten wezen. Er gingen klemmen in en afzuigers van het formaat stofzuigerslang en de behandelingen begonnen steeds langer te duren. De climax kwam toen het kereltje een keer heel zenuwachtig riep dat ik nu echt helemaal niet mocht bewegen, want dat het dan helemaal NOOIT meer goed zou komen.

Toen ik een jaar of dertig was, had ik het echt gehad. Ik bleef de volgende afspraak maar uitstellen en voor ik het wist was ik vijfendertig en begon het meeste amalgaam langzaam af te brokkelen. Toen er op een kwade dag een vulling ter grote van een klein rotsblok uit mijn mond viel, werd het duidelijk dat het de hoogste tijd was voor een complete orale verbouwing. Goede raad was echter duur, want naar dat zenuwachtige mannetje wilde ik echt nooit meer terug.

Gelukkig voor mij deed rond die tijd het fenomeen ‘angsttandarts’ zijn intrede. Het bleek plotseling dat ik niet de enige was die trauma’s had overgehouden aan de tandartsbehandelingen uit hun jeugd en het toeval wilde dat er zich juist in mijn woonplaats net zo één had gevestigd.

Het was óf een afspraak maken voor deze nieuwe manier van tandherstel óf er uit gaan zien als een dakloze cracksnuiver, dus die keus was snel gemaakt
.
De angsttandarts bleek een heel lieve man, die over een periode van een aantal maanden zorgde dat alle oude amalgaamvullingen voorgoed verleden tijd werden en dat mijn gebit weer keurig werd opgeknapt. Dat was een hele opluchting. Ik ging nog steeds niet fluitend naar de tandarts, maar in ieder geval was de stress weer enigszins beheersbaar en de toekomst zag er, althans wat het tandheelkundig gebeuren betreft, rooskleurig uit.

Tot de angsttandarts plotseling overleed. Dat deed hij niet expres, en voor hem was het natuurlijk vreselijk, maar ik was meteen weer terug bij af. Zijn collega die de patiënten overnam verzekerde mij dat het allemaal wel goed zou komen, want zowel hij als zijn assistente hadden een reanimatiecursus gevolgd. Uiteraard gaf mij dat heel wat rust.

Vele kronen, bruggen en een danig verminderd banksaldo later, verdween ook deze tandarts weer, in dit geval niet naar de eeuwige jachtvelden, maar naar Utrecht. Ik veronderstel dat hij inmiddels ook op mijn kosten een vliegbrevet aan het halen is.

De volgende was een Belgische tandarts. Hij had een heel charmant accent en verzekerde me dat hij het volgende vullinkje wel even zou plaatsen, waarna hij drie kwartier met beitels en klopboren aan de slag ging omdat het wortelkanaal dat hij moest herstellen op onverklaarbare wijze verdwenen was. Het kostte een tweede afspraak en nog meer gebeitel voor hij het uiteindelijk had gevonden en bleek dat er weer een kroon moest worden gezet.

Inmiddels is hij met de noorderzon vertrokken. Of dat iets met mijn verdwenen kanalen te maken had, weet ik niet, maar ook hij heeft een klein autootje aan mij verdiend en ik verdenk hem ervan dat hij met zijn voorgangers op een zonnig tropisch eiland aan het paragliden is.

Ik heb nu weer een nieuwe tandarts. Ik ken hem nog niet zo goed, want nadat hij alles van diverse kanten had gefotografeerd en een aantal vullingen had vervangen (op naar het vliegbrevet), stuurde hij me meteen naar de kaakchirurg omdat ik een ontsteking had onder een kroon en die moest toch echt verwijderd worden, anders zou ik de kroon verliezen. Je ziet, er wordt hier goed meegedacht.

Hoewel ik erg tegen de behandeling van de kaakchirurg opzag, viel het uiteindelijk mee. De kaakchirurg bleek dit keer van Duitse origine met een accent als dat van Prins Bernhard en hij was mooi groot en blond. Niet dat dat helpt als je met je mond open gehecht ligt te worden, maar het kan natuurlijk altijd erger.

Hoe het verder zal gaan, weet ik niet. Mijn huidige tandarts heeft al geconstateerd dat mijn voortanden nogal scheef staan, en ik zag al dollartekens in zijn ogen, want tegenwoordig wordt ook dames van een zekere leeftijd een beugeltje aangesmeerd. Eén ding weet ik echter zeker: wat er ook nog aan mijn brokkeltjes verspijkerd moet gaan worden, nooit, maar dan ook helemaal nooit, zal je mij met een beugeltje in mijn mond rond zien lopen. Het geld daarvoor geef ik dan liever uit aan het halen van mijn eigen vliegbrevet.

Monday, December 09, 2013

Tandartsleed (1)


Ik stam nog uit de tijd dat je als ziekenfondspatiënt precies ieder half jaar naar de tandarts moest, want dan bleef je gesaneerd, zoals dat toen heette. Liet je de termijn verlopen dan moest je de eerstvolgende behandeling (die natuurlijk behoorlijk duur zou gaan uitvallen), geheel zelf bekostigen. In de jaren na de Tweede Wereldoorlog had niemand het erg breed, dus hoezeer mijn zus en ik er ook onderuit probeerden te komen, ieder half jaar werden we weer naar een soort onderaardse donkere kamer zonder ramen, die als wachtkamer dienstdeed, meegesleurd, waar we vervolgens allereerst een uurtje of drie moesten wachten. Als ziekenfondspatiënt kon je namelijk geen afspraak maken omdat je daar niet chique genoeg voor was, maar je moest op het spreekuur komen.

Het spreekuur duurde van vijf tot zes, maar er waren altijd zoveel ziekenfondspatiënten, dat je er altijd  om een uur of twee moest zijn om verzekerd te zijn van een behandeling. En helaas, vroeger dan vijf uur begon de tandarts voor de ziekenfondspatiënten nooit. Zelfs op de zeldzame middagen dat het wel eens rustig was, moest je geduldig blijven zitten tot vijf uur en wanneer er geen particuliere patiënten waren, verdween de tandarts gewoon in een ander krocht van het gebouw  om rustig thee te drinken en de krant te lezen, of misschien beleefde hij wel vrolijke uurtjes met mevrouw Tandarts. Wie zal het zeggen? Maar zodra zich een particuliere patiënt aandiende, was hij altijd razendsnel weer terug in de spreekkamer. Natuurlijk, want van die patiënten bekostigde hij voor het grootste deel zijn tweede huis in Frankrijk, zijn boot en later, toen hij ook nog eens op onze kosten zijn vliegbrevet had gehaald, zijn vliegtuigje, waarmee hij ongetwijfeld naar dat tweede huis in Frankrijk heen en weer vloog. Wanneer wij dan eindelijk aan de beurt waren, kon je ons letterlijk opvegen van de stress.

De tandarts was een enorme kerel met handen als hammen en vingers als flink uit de kluiten gewassen knakworsten, waarmee hij de kindermonden lekker ver kon open wringen. Hij vond altijd gaatjes, want in die tijd bestonden er nog geen mondhygiënisten, dus niemand vertelde je ooit hoe je precies moest poetsen en hoe belangrijk dat was. Melkgebitten werden nooit gepoetst, want die tanden vielen er toch uit.  Pas wanneer je begon te wisselen werd je een tandenborstel uitgereikt, maar je wist niet hoe je goed moest poetsen, dus tegen de tijd dat je besefte hoe je het moest doen en je je het belang daarvan realiseerde, was het kwaad al geschied. “Bovendien,” zo wist iedere volwassene je te vertellen, “tegen dat je 25 bent, heb je toch een vals gebit.” Er waren mensen die van hun ouders een prothese als huwelijkscadeau kregen, zodat ze op de trouwfoto tenminste konden lachen.

De tandarts kon ook flink te keer gaan als je bang was of ging huilen, dus je paste wel op om dat te doen. Aan verdoven werd ook niet gedaan, dat was voorbehouden aan particuliere patiënten. De tandarts boorde gewoon door tot hij de zenuw raakte en je daardoor een zeer ongecontroleerde beweging maakte en zowat in de tl-buizen sprong, waarna hij de zenuw nog eens een paar keer aanporde met zijn boor om er zeker van te zijn dat hij echt op de juiste plaats zat. Daarna werd er een flinke dot amalgaam in het gat gepropt. Zo nodig werd de procedure bij nog 4 of 5 andere kiezen herhaald. Na de behandeling mocht je de rest van de dag niet meer eten, maar dat werd ruimschoots vergoed doordat je zoveel amalgaam had binnengekregen dat je toch al geen honger meer had. Een nieuwe vulling werd nooit in het juiste model geslepen zoals tegenwoordig bij vullingen die van kunsthars worden gemaakt.

“Gewoon een beetje knarsen, dan komt het vanzelf goed,” verzekerde de tandarts. Nog dagen later vielen er kruimels amalgaam uit je mond. Het mag een wonder heten dat we niet allemaal overleden aan kwikvergiftiging.

Ging op jonge leeftijd je moeder mee, zodat je in ieder geval nog enig idee had van veiligheid, vanaf een jaar of twaalf moest je het zelf maar uitzoeken. Bij alle ellende kwam ook nog eens dat onze saneringsperioden net in de kerstvakantie en in de grote vakantie afliepen, zodat er altijd een flinke domper op mijn vakantievooruitzichten werd gezet.

Heel goed begrijp ik het jongetje, dat op een keer onder oorverdovend gekrijs in de vinger van de tandarts beet. Hij mocht daar nooit meer terugkomen. Ik wou dat ik dat zelf ook had gedurfd.

(wordt vervolgd)

Friday, September 06, 2013

HIER IS NIETS TE HALEN


In het dorp waar ik werk wordt een nieuw winkelcentrum gebouwd. De oude dorpskern, waar het altijd gezellig winkelen was, met wat kleine winkeltjes en een AH gaat verdwijnen, want de gemeente is uitgeroepen tot “groeigemeente” en dat betekent dat er gebouwd moet worden. Bomen zijn gekapt, er zijn nieuwe rotondes gebouwd, de garage die ook in het centrum stond, is verplaatst naar één van die rotondes en ziet er nu met zijn glazen puien uit als een enorme glimmende bruiloftstaart, kortom, het kleinschalige dat het dorp zo aantrekkelijk maakte, is langzaam aan het verdwijnen. Het doet er niet toe dat het land bijna failliet is, dat er langs de snelwegen kantoorgebouwen leegstaan en dat de werkeloosheid hoogtij viert, gebouwd moet er worden.

Het nieuwe bouwproject werd voorafgegaan door de plaatsing van een aantal bouwketen, die, omdat het eigenlijk gewoon containers zijn, tegenwoordig gemakkelijk verplaatst kunnen worden. Omdat zo’n bouwplaats natuurlijk aantrekkelijk is voor inbrekers, werden er om de keten hoge hekken geplaatst en werden er overal schijnwerpers aangebracht.

De eerste weken ging het allemaal goed. Langzamerhand zag je het nieuwe centrum groter worden en vrachtwagens reden af en aan. Maar blijkbaar ging het ’s nachts allemaal niet zo erg van een leien dakje, want op een ochtend stond er met grote letter op één van de bouwketen geschilderd: HIER IS NIETS TE HALEN.

Zo’n opmerking maakt me nieuwsgierig. Was er ondanks de hekken toch ’s nachts ingebroken? Was inmiddels alles al weggehaald door enge mannen met bivakmutsen op? Of was alles weggehaald door de bouwvakkers zelf omdat er toch niets te halen viel? Ik had er geen idee van, maar elke ochtend als ik er langs reed, vroeg ik me toch af, waarom die woorden ineens op de keet waren verschenen.

Een paar weken later kwam ik op een ochtend langs  en bleek de N van NIETS te zijn weggekrabd, zodat er nu stond: HIER VALT IETS TE HALEN. Mijn nieuwsgierigheid werd groter. Hadden de enge mannen met bivakmutsen dat gedaan? Of waren het ondeugende scholieren die op deze manier lieten zien, dat die hekken eigenlijk helemaal niets te betekenen hadden? Of, en dat vond ik eigenlijk nog een leuker idee, hadden de bouwvakkers het zelf gedaan om de enge mannen met bivakmutsen om de tuin te leiden? Het bleef me bezighouden.

Het duurde niet lang voor het opschrift weer veranderde. Een paar dagen na de eerste wijziging, stond er ineens een F op de plaats van de verdwenen N. HIER VALT FIETS TE HALEN. Curiouser and curiouser” zou Alice hebben gezegd, maar de wijzigingen waren nog niet ten einde. Iemand moet hebben gevonden dat deze zin toch niet zo lekker liep, want vanochtend stond er het woordje EEN bijgeschreven, zodat het nu duidelijk was: HIER VALT EEN FIETS TE HALEN.

Mijn verbeelding sloeg weer op hol. Als het die mannen met de bivakmutsen waren, hoe wisten ze dan dat er een fiets in de keet stond? Als het de eigenaar van de fiets was die het opschrift had bedacht, waarom zou hij dan adverteren dat zijn fiets in de keet stond? Of waren het weer die hanggroepjongeren, die lieten zien, dat ze nog steeds niet door hekken werden tegengehouden?

Het begint zo langzamerhand een kleine obsessie te worden. Wat staat er morgen op de keet? Misschien zou ik gewoon ’s avonds eens langs moeten rijden, om te kijken of ik kan ontdekken wie het doet. Maar eigenlijk durf ik dat niet. Stel dat het die enge mannen met bivakmutsen zijn. Die hanggroepjongeren kan ik wel aan, maar bivakmutsen ……..

Ik ga de kleine dorpskern missen, maar ja, de vooruitgang kun je niet tegenhouden. Ik weet niet of ik wel aan het nieuwe winkelcentrum ga wennen. Ik ben inmiddels een dame van een zekere leeftijd en die houden niet meer zo van veranderingen. Maar wat ik nooit had gedacht, ik zal ook die bouwkeet gaan missen.

Thursday, September 13, 2012

Stervensbegeleiding



Naast me in de coffeeshop zitten twee dames met allebei een fikse rokershoest. Ze klinken alsof ze 85 zijn, maar wanneer ik opzij kijk, zie ik dat ze hoogstwaarschijnlijk minstens 10 jaar jonger zijn dan ik. Eén van de twee begint te hoesten met een heftige slijmontwikkeling en mijn salade begint me behoorlijk tegen te staan.

Het gesprek dat zich ontwikkelt draagt er ook niet toe bij dat mijn eetlust terugkomt. Ze doen namelijk aan stervensbegeleiding en ze hebben daar blijkbaar net een cursus voor gevolgd. Nou wist ik wel dat er op dat gebied cursussen zijn en ik wil mijn kop ook niet in het zand steken voor het feit dat we allemaal vandaag of morgen naar de eeuwige jachtvelden zullen vertrekken, maar ik had me echt verheugd op een lekkere lunch met een goed boek, en op deze manier komt daar natuurlijk helemaal niets van terecht. De dames naast me zullen best bewust hebben gekozen voor hun beroep, of misschien zijn het wel vrijwilligsters die dit werk met veel plezier doen, maar ik moet er toch even niet aan denken dat er, wanneer je laatste uurtje geslagen is, zo’n blaffende rokershoest over je heen hangt.

De vrouw met de ergste hoest klinkt of ze inmiddels zelf stervensbegeleiding nodig heeft en ik wou maar dat ze een ander restaurant hadden uitgekozen.

Ik probeer me ondanks alles toch weer op mijn salade te concentreren, maar ondertussen is er nog een klein, grijs vrouwtje binnengekomen, die zich precies tussen mijn tafeltje en dat ernaast wil persen en daarbij stoot ze mijn tafeltje zo hard aan dat de jus d’orange over de rand van mijn glas heen plonst. Ze kijkt me aan alsof ik met opzet precies zo ben gaan zitten om haar te pesten.

“Ik kan er ook niets aan doen,” zegt ze snauwerig, terwijl ze bijna bovenop mijn jas gaat zitten die naast me op de bank ligt. Ik weet hem nog net onder haar vandaan te plukken en ze kijkt me nogmaals vernietigend aan.

Een echtpaar vlak bij de uitgang vraagt op luide toon of er vandaag geen kranten zijn. De kranten liggen toevallig bij mij op het tafeltje en ik steek ze omhoog. De man van het stel staat op en rukt ze zonder iets te zeggen uit mijn hand.

Er zijn van die dagen dat je beter in je bed kunt blijven …

Thursday, August 09, 2012

Supermarktkarretjesblues



Wie heeft er ooit bedacht dat de bodem van een supermarktkarretje schuin moet staan? Dat was in ieder geval niet degene die regelmatig boodschappen doet.

Waar is een boodschappenkarretje voor bedoeld? Juist, naast het vervoeren van de hond (vanmiddag gezien, zittend op een roze kussentje), de jongste telg in een speciaal daarvoor geconstrueerd zitje, terwijl de erfopvolger/ster met een eigen miniatuurkarretje de winkel onveilig maakt en spruit nummer 0,4 nog in moeders buik rondzwemt, voornamelijk voor het vervoer van boodschappen, zowel binnen als buiten de winkel.

Dat betekent dus, geachte supermarktkarretjesontwikkelaars, dat er boodschappen in moeten worden kunnen gezet. Tijdens het verzamelen van de boodschappen is het probleem nog niet zo groot. Een fles kan tenslotte ook worden neergelegd, maar de vervelende situatie dient zich aan wanneer de boodschappen in de boodschappentas moeten worden ingepakt. Dat moet uiteraard vlug gebeuren, want de volgende shopper staat bij de kassa alweer met zijn karretje tegen je kuiten aan te duwen, maar van vlug komt niets terecht wanneer het karretje een schuine bodem heeft.

Je zet de boodschappentas zonder inhoud in het karretje. Met een beetje geluk blijft de tas leeg nog wel staan, maar zodra de eerste fles erin wordt geplaatst is het gedaan met de stabiliteit en valt de tas om.

Ik heb door de jaren heen dus de strategie ontwikkeld om eerst een pak wc-papier in het midden van de tas te zetten, dan de flessen ernaast (één aan iedere kant) en de rest er boven op, maar vaker wel dan niet valt de boel alsnog om, zodat je weer van voren af aan moet beginnen en je blij mag zijn als je eieren niet geplet uit de strijd te voorschijn komen.

Waarom, zul je je afvragen, zet je de tas dan niet op het gedeelte achter de loopband? Dat zou kunnen, ware het niet dat dit gedeelte van de toonbank eveneens schuin afloopt en daar is dan niet eens een zijkant om de tas tegenaan te laten leunen, waardoor de lichtere artikelen die je net bovenop hebt gelegd, de neiging hebben over de vloer te rollen wanneer de boodschappentas knikt. De spullen vallen trouwens altijd naar de vloer en nooit terug naar de loopband.

Dus nogmaals, wie heeft deze ergernis der ergernissen ontwikkeld? En belangrijker nog, waarom? Het is duidelijk dat het niet is om de winkelende klant van dienst te zijn. Voor hem veroorzaakt het alleen maar ellende.

Misschien heeft het te maken met de manier waarop de karretjes in elkaar moeten passen? Maar alsjeblieft!! Bedenkt dan snel een andere manier, want hier wordt iedereen gek van!



Friday, July 13, 2012

Kapper



Vandaag was het weer eens tijd voor de kapper. Ik heb daar altijd een hekel aan. Niet omdat het knippen/kleuren/permanenten/stylen zo vervelend is, maar gewoon omdat het zoveel tijd kost. Vroeger was dat niet zo, want ik groeide op in de 60er jaren en toen was er niets mooier dan lang, steil haar. Ik hoefde er niets aan te doen, want niemand heeft steiler haar dan ik, dus het enige wat we af en toe deden, mijn vriendinnen en ik als aapjes die elkaar aan het vlooien waren, was met een aansteker de dode punten verwijderen. Je draaide net zolang aan een sliert haar tot het op een touwtje leek, hield het vast bij de punt en bewoog je duim en wijsvinger stevig langs de sliert omhoog. De dode punten sprongen dan naar buiten. Een aansteker erbij en de gespleten punten schroeiden vanzelf weg. Goedkoper kon het niet. Tot ik het haar van een van mijn vriendinnen een keer bijna in vlammen zag opgaan omdat ze iets te wild met de aansteker omsprong.

Zat ik nog steeds goed in de 70er jaren (mijn haar werd wel wat korter, maar bleef steil), de problemen kwam in het volgende decennium. Big hair werd de mode en de kleding was niet compleet zonder enorme schoudervullingen. Die schoudervullingen bevielen me best, want ik heb nogal afhangende schouders, dus ik kreeg daarmee eindelijk eens een normaal profiel en het verborg meteen ook mijn in die tijd langzaam uitdijende postuur. Het big hair was echter een groter probleem. Krullen moest je hebben, heel veel krullen, maar slapper, steiler haar dan het mijne bestaat er niet, dus dat werd permanenten en daar bleef het niet bij, want een permanent vergt heel veel onderhoud. Uren tobben met krulspelden die in je hoofdhuid boorden en later slapen met schuimrubberrollers omdat mijn haar dan weliswaar heel dun en slap is, maar het was wel een enorme hoeveelheid en het droogt altijd enorm traag. Daarna nog het stylen en met een speciale kam zo hoog mogelijk opkammen en je kon er weer even tegen. Even, want met een beetje geluk kon ik er ongeveer twee dagen mee doen en dan begon de ellende alweer van voren af aan. Bovendien mocht je haar nooit nat worden, want dan ging het raar kroezen.

Zomaar eens een keer lekker laten opdrogen was er ook niet meer bij. Dan zag je er echt als een sloddervos uit, dus zelfs als ik eens vakantie had, zat dat er niet in. Er gingen jaren voorbij waarin ik nooit meer regen op mijn gezicht voelde. Waarschijnlijk maar goed ook toen Tchjernobyl ontplofte en de radioactieve deeltjes zich over Europa verspreidden. In die fall-out heb ik tenminste nooit rondgelopen.

Het was een verademing toen de 90er jaren arriveerden en ik dan weliswaar nog steeds mijn haar moest permanenten, maar toen diende het slechts ter ondersteuning om mijn haar wat meer volume te geven en kon ik het gewoon stylen met een föhntang. Dat koste lang niet zoveel tijd. Gelukkig werden de haarproducten rond die tijd ook veel beter.

Dat alles neemt niet weg, dat ik nog steeds om de zoveel tijd mijn haar moet laten permanenten, zeker nu ik op een bepaalde leeftijd ben gekomen en mijn haar onder invloed van allerlei hormoonschommelingen nog dunner en slapper is geworden dan voorheen.

Ik ervaar het gefriemel aan mijn hoofd altijd als bijzonder onplezierig. Waar gewone vrouwen zich graag eens laten verwennen in de sauna met massages en zeewierbehandelingen, ben ik er al lang geleden achter gekomen dat al dat gepruts aan mijn lijf niets voor mij is. Het lijkt teveel op een bezoek aan de huisarts of de tandarts, maar dan weliswaar meestal zonder de bijbehorende pijn.
Eigenlijk vind ik dat er maar één persoon aan me mag zitten en dat ben ikzelf. Ik wil niet ingewreven worden met groene zeewierprut en worden ingepakt in een soort huishoudfolie om daarna verplicht (zonder boek ook nog) onder het genot van New Age-achtige muziek een half uur te moeten relaxen. Dat heb ik één keer in mijn leven ondergaan en ik ben er nog nooit zo gestrest van geworden. Ik kan namelijk niet op commando relaxen. Daar word ik heel erg hyper van.

De bijbehorende gezichtsbehandeling beviel wat beter. Niet op het moment zelf, want ik werd eerst gedeponeerd in een soort tandartsstoel waarna mijn voeten werden ingepakt om te voorkomen dat ze koud zouden worden. Gezien de exorbitante prijzen die je bij de tandarts betaalt, zouden ze er daar ook wel eens aan mogen denken, want als ik ergens koude voeten krijg, dan is het daar. Ik kreeg ook nog een dekentje over mijn lijf en een mevrouw begon minuscule pukkeltjes leeg te zuigen met een injectienaaldje. Na al dat geprik moest er een moddermaskertje op en dat moest weer uitharden, natuurlijk weer onder het genot van New Age-muziek. Na een kwartiertje voelde mijn gezicht aan als een blok beton. Ik was verbaasd dat het er niet met een hamer en een beiteltje moest worden afgebikt.

Toen alles verwijderd was, moest de huid worden ingesmeerd met allerlei crèmepjes en lotionnetjes en toen ik eindelijk na een hele dag van dit soort gedoe weer naar huis mocht, was ik nog nooit zo moe geweest.

Ik weet het, ik associeer dit soort instellingen te veel met ziekenhuizen. Het is gewoon onmogelijk om me daar overheen te zetten. En relaxen is er dan natuurlijk ook niet bij.

Ik heb al net zo’n hekel aan winkelen, of zoals je dat tegenwoordig moet noemen: shoppen. Ik vind het bijzonder vervelend  wanneer ik nieuwe kleding, of, god forbid, nieuwe schoenen nodig heb. Als vrouw schijn ik helemaal uit mijn dak te moeten gaan wanneer ik mooie schoenen zie. Ik begrijp dat niet. Nooit gedaan ook. Als ze maar plezierig zitten en een tijdje meegaan.

Ik heb gisteren met verbazing zitten kijken naar een vrouw op tv die haar kast met schoenen toonde en die helemaal lyrisch werd toen ze haar favoriete paar liet zien, dat haar meer dan €600 had gekost. €600 en ze had ze maar één keer gedragen. Ze zagen er uit of je er geen drie meter op kon lopen. Weet die vrouw wel hoeveel boeken je voor €600 kunt kopen?

Soms voel ik mij een vreemdeling in een vreemd land. Hoe kan het bestaan dat zoveel mensen alleen maar met hun uiterlijk lijken bezig te zijn? Ik ben benieuwd hoe het die vrouwen straks vergaat wanneer bij hen de menopauze zich aankondigt. Opgespoten, gebotoxt, gelift en met Donald Duck-lippen, voortwaggelend op ondraagbare Gucci-schoenen richting vergetelheid. Ik doe lekker niet mee. Afgezien van de kapper op zijn tijd dan.


Saturday, June 30, 2012

Schoenen



"Welke maat heeft u?" vraagt de pukkelige jongeman achter de toonbank.

Het is voor het eerst dit jaar meer dan 25°C en in de sportwinkel is het minstens vijf graden warmer. Ik ben er nog helemaal niet aan gewend en ik voel het zweet in straaltjes langs mijn rug naar beneden lopen. Wie had er ook alweer bedacht dat ik juist vandaag nieuwe wandelschoenen moest gaan kopen?

Ikzelf natuurlijk. Ik heb al maanden last van lage rugpijn en mijn fysiotherapeut heeft me verzekerd dat het allemaal weer helemaal goed komt, mits ik maar goed ga oefenen en veel wandel. Dus zit ik per dag minstens een uur lang op een soort skippybal te stuiteren en te wiebelen, ligt er een speciaal luchtkussen op de zitting van mijn bureaustoel en heb ik inmiddels alle brandgangen in de buurt verkend. Ik hijg en puf om mijn ademhaling goed te krijgen en ik heb al weer heel enthousiast een nieuw badpak gekocht en dat terwijl ik een bloedhekel heb aan zwemmen. Water is wat mij betreft veel te nat en een half uurtje zwemmen kost me minstens een halve dag aan inspanning.

Eerst moet ik naar het zwembad toe en dat kost me al bijna een half uur. Daarna omkleden, een half uur zwemmen, douchen, weer aankleden en naar huis. Alles bij elkaar ben ik dan zo’n twee uur verder, maar wanneer ik thuis kom, moet ik nog een keer echt goed douchen en mijn haar doen en dat kost me minstens nog een uur en dan heb ik het nog niet eens over de make-up, die er ook weer op moet. Ik kan natuurlijk ’s avonds gaan en dat scheelt dan de tijd voor de make-up, maar je ziet dat een half uurtje zwemmen al een hele operatie is. Tel daar dan nog eens bij op dat ik een bloedhekel aan sporten heb en je krijgt een aardig beeld van de situatie.

Maar goed, de pijn is zo erg dat ik er echt alles voor over heb en dus doe ik elke dag iets. Het lijkt zelfs of ik er wat door afval, dus in ieder geval is dat wel een leuke bijkomstigheid zo lang het duurt.
Wel is het leuk om te zien hoeveel groen en parkjes er zijn in de wijk waar ik woon. Acht jaar geleden heb ik mijn intrek genomen in mijn huidige woning, maar ik sta elke dag dat ik een rondje loop weer verbaasd. Het rondlopen heeft dus, behalve dat het mij zogenaamd goed doet (hoewel ik dat vaak betwijfel omdat ik me door de pijn soms afvraag of ik mijn voordeur wel weer zal weten te halen) nog andere voordelen.

Gisteren kwam ik in de brede sloot achter mijn huis een eend tegen met acht kleintjes en er zit een zwaan te broeden in de vijver achter de piramideflats. Ik ben er trouwens ook achter gekomen dat die flats er echt uitzien als Maya-piramides vanuit het parkje erachter. Er is daar zoveel groen dat je je bij warm weer ergens in de jungles van Zuid-Amerika waant.

Foto: Blue-Jay-pix

Ik vertel de jongen van de sportzaak wat mijn maat is en hij verdwijnt ergens achter in de zaak om schoenen te gaan halen die ik kan passen. Even later is hij weer terug met twee grote dozen. De lage schoenen die ik als eerste aantrek zitten niet echt lekker en als ik voorzichtig een rondje door de zaak waag, beginnen mijn wreven meteen beurs aan te voelen. Deze schoenen zijn duidelijk niet voor mij gemaakt. De jongen verdwijnt weer, nu om een wat hogere schoen te gaan halen. Ik loop graag op wat hogere schoenen of laarsjes sinds ik zo rond mijn twintigste een paar keer verstuikte enkels heb gehad.

Het tweede paar hoge schoenen zit perfect. Voor het eerst in tijden heb ik weer eens het gevoel dat ik stabiel recht op twee benen sta. Bovendien zijn de schoenen zwart, zodat ik ze zelfs onder een spijkerbroek naar school zal kunnen dragen zonder dat het direct opvalt. Het zijn natuurlijk zowat de duurste schoenen in de hele winkel, €189,-, maar ik hou mezelf maar voor dat niets te gek is om van de pijn af te komen en dat mijn laatste paar goede wandelschoenen ook 25 jaar is meegegaan voordat ik er natte voeten in kreeg, dus ik zucht eens diep en vertel de jongeman dat ik ze neem.

“Eigenlijk kun je ze het beste met speciale sokken dragen,” zegt hij.

Ik voel hem al aankomen. Daar gaat mijn vakantiegeld!

Hij pakt een paar zwart/beige gekleurde sokken van een haakje en legt ze voor me op de toonbank.

“Het zijn speciale sokken die de voet ventileren zodat ze koel blijven en je minder last hebt van zweetvoeten.”

“Hoe duur zijn ze?” vraag ik, tegen beter weten in.

“€18,-,” antwoordt hij, “maar het zijn heel goede sokken.”

Ik zucht nog eens diep. Dat mag ook wel voor €9,- per sok, maar ja, gezien de prijs van de schoenen kan dat er ook nog wel bij.

“Vooruit dan maar,” zeg ik.

“Wel goed opletten bij het aantrekken dat er verschil is tussen links en rechts,” adviseert de jongen tot slot.

Dus hier zit ik dan, na een wandeling van bijna een uur, en kijk naar mijn besokte voeten. Op de rechter prijkt een blauwe R en op de linker een blauwe L. Zelfs zonder leesbril kan ik het lezen. Er zijn vast heel veel mensen van een zekere leeftijd met lage rugpijn.

Foto: Blue-Jay-pix

Wednesday, June 06, 2012

Brand



Het is een heel rare gewaarwording wanneer je op een zonnige vrijdagmiddag een broodje staat klaar te maken en je ziet plotseling een politieauto de straat inrijden, en het wordt nog erger wanneer je ziet dat die politieauto wordt gevolgd door een brandweerwagen.

Ik kijk uit het raam aan de andere kant van het huis en zie daar bij het plantsoentje een tweede brandweerwagen verschijnen. Er volgen nog twee politieauto’s met daarachter een grijze auto waaruit een fotograaf stapt met een enorme telelens op zijn camera geschroefd. Hij ziet eruit als Joop van Tellingen. Waarschijnlijk is dat beroepsdeformatie. Ik ben waarschijnlijk ook al op meters afstand herkenbaar als een onderwijstype.

Ik trek snel mijn jas aan en loop naar beneden, naar de voordeur. Als de vlammen echt uit het dak blijken te slaan kan ik maar beter goed voorbereid zijn. Mijn handtas met papieren staat bij de deur, evenals het mandje voor de poes. Ik stap de voordeur uit de galerij op en zie dat de meeste buren daar ook al verzameld zijn.

“Wat is er aan de hand?” vraag ik aan de buurvrouw die rechts van me woont, terwijl ik zie dat er inmiddels door twee (goed afgetrainde) brandweermannen een soort metalen stormram wordt aangedragen waarmee een deur kan worden ingebeukt.

“Het alarm gaat af bij de buren om de hoek en er hangt een vreselijke stank,” zegt ze. Er is niemand thuis, dus nu gaan ze de deur forceren.”

Ik zie nog geen vlammen uit het dak slaan en er komen ook geen rookwolken uit het raam kolken. De brandweermannen staan er redelijk ontspannen bij en de mannen met de ram lopen niet erg hard.

De buurvrouw van de linkerkant komt ook naar buiten.

“Zou het kwaad kunnen?” vraagt ze.

We halen onze schouders op.

Er komt een auto de bocht om scheuren en we zien de Turkse buurvrouw, haar man en kinderen van het huis waar het alarm afgaat naar buiten springen. Ze zijn net op tijd om te voorkomen dat de ram op de voordeur gebruikt gaat worden.

Ik ruik inmiddels de stank van aangebrande melk en als ik dat al kan ruiken, moet het heel erg zijn, want mijn reukvermogen is niet zo best meer.

Een van de brandweermannen (ik zou heel graag het woord spuitgasten gebruiken, maar er wordt helemaal niet gespoten) heeft de sleutels aangenomen van de huiseigenaresse en zij wil natuurlijk meteen naar binnen lopen, op de voet gevolgd door haar man en kinderen, maar ze wordt door de brandweerlieden tegengehouden. Het zou wel eens gevaarlijk kunnen zijn. Hier kunnen ze eens even laten zien dat ze goed getraind zijn. De fotograaf staat met zijn enorme telelens in de aanslag. Nu gaat het gebeuren. Nu gaat hij de foto van zijn leven maken. De foto die hem de eeuwige roem zal gaan bezorgen. Twee van de dappere brandweermannen zetten een masker op en verdwijnen door de deur naar binnen.

“O, jee,” zegt de buurvrouw van links. “Ik heb ook nog wat opstaan. Ik zal het maar gauw gaan uitzetten, anders moeten ze bij mij zo meteen ook nog komen blussen!”

Even later gaan de ramen bij de Turkse buurvrouw open en wordt het brandalarm uitgezet. De brandweermannen verschijnen weer in de deuropening en de maskers worden afgezet. Het hele gezin heeft zich inmiddels voor de voordeur verzameld, maar ze mogen nog niet naar binnen. Terwijl twee mannen de stormram terugdragen naar de brandweerwagen (het is natuurlijk veel te zwaar voor één persoon), wordt het gezin nog even vermanend toegesproken door de overige brandweerlieden en een aantal politiemannen, die zich inmiddels ook heel dapper bij hen hebben gevoegd.

De journalist legt zijn camera op de passagiersstoel van zijn auto en steekt een sigaretje op. Eén voor één vertrekken de buren naar binnen. Ik ga ook weer naar boven en vertel poes dat alles veilig is. Je weet maar nooit wat een trauma zo’n beestje kan oplopen. De opwinding is weer voorbij. Mijn broodje ligt op me te wachten.

Saturday, April 14, 2012

Vlug



Alles moet tegenwoordig vlug. Schrijf een kinderboek in twee maanden. Schrijf een roman van 50.000 woorden in één maand. Bij de kassa van de supermarkt duwt iemand een kar tegen je benen omdat je niet opschiet. Op de snelweg wordt je bijna de berm ingeduwd wanneer je niet snel genoeg naar 130 km per uur accelereert.

Bij de repetitie van het jaarlijkse toneelstuk op school, moeten we de leerlingen voortdurend vertellen dat ze niet zo snel moeten spreken omdat anders niemand in de zaal hen zal kunnen verstaan.

“Praat alsjeblieft wat langzamer!” roep ik ten einde raad. “Ik kan er niets van volgen!”

“Misschien luistert u wel te langzaam,” zegt een van de leerlingen.

Ze zou wel eens gelijk kunnen hebben.


Monday, March 05, 2012

Lelijk



Er zijn van die dagen dat iedereen die je tegenkomt, lelijk is. Het begint al zodra je de deur uitstapt. Vierdubbele lillende onderkinnen, openhangende natte lippen, uitgezakte achterwerken, naar beneden hangende mondhoeken en de meest afschuwelijke kapsels.

Het valt me op dat de huidige mode ineens een asymmetrische coupe blijkt te zijn. Bekijk je zo’n dame van links, dan is het een soort Justin Bieber-hoofd, maar bekijk je haar van de andere kant dan ziet ze er uit als Mireille Mathieu (voor wie zich die zangeres nog kan herinneren). Misschien dat het goed staat bij een 17-jarige tiener, maar de vrouwen die ik er vandaag mee zie lopen, zijn allemaal minstens van mijn leeftijd, met gerimpelde koppen. Ze zien er stuk voor stuk uit of ze het zich door een opdringerige kapster hebben laten aanpraten.

In de supermarkt is het zo druk dat je er letterlijk over de koppen kunt lopen. Wat doe ik hier in vredesnaam op een zaterdag wanneer zo’n beetje de helft van de bevolking net is teruggekomen van de wintersport en ze allemaal voor een week boodschappen moeten inslaan? Ik worstel me via het wijnschap naar de tandpasta en kom twee oudere vrouwen tegen met helder oranje haar. Het moet nou toch echt niet gekker worden! Ronald McDonald is er niets bij. Bij de groenten en het brood heb ik letterlijk mijn ellebogen nodig, maar dan sta ik wonder boven wonder voor een lege kassa en kan ik meteen afrekenen. Ik vlucht het winkelcentrum uit.

Wanneer ik even later thuis in de spiegel kijk, slaak ik een zucht van verlichting. Zo lelijk als de meeste mensen vandaag waren, ben ik gelukkig nog niet. Was mijn boodschappenuitje toch nog ergens goed voor …

Sunday, February 26, 2012

Kroezen



De grijsgekrulde mevrouw aan het tafeltje naast me slaakt een diepe zucht en opent het menu. Nadat ze alles zeker vijf minuten lang heeft bestudeerd, bestelt ze een koffie.

“Niets er bij hoor,” zegt ze tegen de serveerster.

Ik weet dat ze hier, in mijn nieuwe stam-coffeeshop, allerlei lekkere dingetjes serveren, maar het is duidelijk dat deze mevrouw het kalm aan doet vandaag. Of misschien doet ze dat wel altijd.

Een paar weken geleden heb ik mijn oude coffeeshop verruild voor een andere. Er is in het winkelcentrum een nieuwe koffiehoek geopend in een delicatessenzaak, en behalve dat het erg handig is omdat je er dan meteen kaas en vleeswaren kunt meenemen, is het er ook veel gezelliger dan in mijn oude stek en worden er veel lekkerdere dingen geserveerd.

De koffie arriveert en de grijze dame naast me begint zuchtend te roeren. Ze heeft, om met Brigitte Kaandorp te spreken, vast een heel zwaar leven.

Er ploft een gezet middelbaar stel neer bij een leeg tafeltje. Aan hun volle tassen te zien, zijn ze flink aan het shoppen geweest.

“Zo,” zegt de man, “neem het er maar eens lekker van.”

Ik geloof niet dat hij het tegen iemand in het bijzonder heeft, maar de grijze mevrouw voelt zich blijkbaar aangesproken.

“Het is maar gewoon een kopje koffie, hoor,” zegt ze verdedigend.

“Lekker toch,” zegt de man en zijn vrouw knikt instemmend.

“Zolang het kan, moet je het er van nemen,” vervolgt de man. “Wij gaan volgende week mee op een cruise!” Hij spreekt het woord ‘cruise’ uit als ‘kroes’.

De gepermanente vrouw kijkt zuur. “Dat is niks voor mij,” mompelt ze.

“Tuurlijk wel,” zegt de man, die zich duidelijk niet snel uit het veld laat slaan. “Kroezen is hartstikke leuk voor iedereen, hoor!”

“Nou, dat kan ik niet meer,” antwoordt de vrouw. “Ik ben vijfentachtig.”

Ondanks de zure uitdrukking op haar gezicht had ik haar geen dag ouder geschat dan zeventig, maar ja, ik ben nooit erg goed geweest in het schatten van leeftijden.

“Dat is toch helemaal niet oud!” roept de man. “En kroezen kan op elke leeftijd. Vorig jaar waren we ook op een kroes en toen waren er heel veel mensen van uw leeftijd. Er wordt van alles georganiseerd.”

Ik weet niet waarom de vrouw zo zuur keek. Misschien ga ik dat ook wel doen als ik vijfentachtig ben, maar wat één ding betreft, geef ik haar in ieder geval groot gelijk. Ik ga nooit kroezen. Dat is niets voor mij.


Eerste Hulp



Deze week was er heel wat te doen over een nieuw programma op de tv. Reinout Oerlemans had weer eens iets nieuws bedacht. Stel een aantal camera’s op op de afdeling spoedeisende hulp van het VUmc ziekenhuis en film alles wat er daar gebeurt. Geef dan ook nog wat tv-medewerkers witte jassen, zodat de patiënten denken dat ze worden benaderd door artsen of verpleegkundigen en het geheel is compleet. Meneer Oerlemans dacht vast dat hij na zijn recente filmsuccessen, waaronder Komt een vrouw bij de dokter (ook al vol medische zaken nu ik er over denk), zo’n beetje alles wel kon maken.

Draaide mijn hart al om bij het horen hoe er in Amerika door advocaten gespecialiseerd in letselschade wordt rondgehangen bij de voordeuren van ziekenhuizen, toen ik dit hoorde werd ik toch echt letterlijk onpasselijk. Bij de advocaten kunnen patiënten er tenminste nog voordeel van hebben (hoewel ik de manier waarop het daar allemaal gaat ook behoorlijk stuitend vind), maar in dit geval gaat het alleen maar om de sensatiezucht van de kijker. Of eigenlijk, door de sensatiezucht van meneer Oerlemans wordt de min of meer argeloze kijker gedegradeerd tot ramptoerist. Natuurlijk kan die kijker de kijkbuis uitschakelen, maar wanneer er zoveel over te doen is geweest, is de verleiding toch wel heel erg groot om het programma even te laten aanstaan, al was het alleen maar om te kijken waar al die ophef nou eigenlijk over was, en dan is het kwaad al geschied.

Zoals gezegd, het idee alleen al om, zodra je een ziekenhuis binnenkomt, een camera op je gericht te hebben, vind ik behoorlijk misselijkmakend. Ik ben maar een paar keer in mijn leven naar de spoedeisende hulp geweest, niet voor mezelf, maar omdat mijn moeder ernstig ziek was en ik moet er niet aan denken dat we op zo’n moment met iets dergelijks geconfronteerd waren geworden. Ik denk dat ik letterlijk moordneigingen zou hebben gekregen.

Eigenlijk verwijt ik het meneer Oerlemans nog niet eens zo heel erg, al moet je toch wel een behoorlijke zieke geest hebben om zoiets te bedenken. Hij is slechts een idioot met dollartekens voor zijn ogen. Hij weet niet beter, zullen we maar zeggen en ik hoop voor hem dat hij nooit met een doodziek familielid bij de spoedeisende hulp zal hoeven te zitten en al helemaal niet met een camera op hem gericht. Je bent als patiënt al volkomen overgeleverd aan wildvreemden die eigenlijk niets om je geven (de goede hulpverleners daargelaten, want die zijn er gelukkig ook) en ik gebruik het woord overgeleverd niet zomaar, want nadat mijn moeder ooit vijf uur met een zware longontsteking op een brancard in een soort hokje moest liggen wachten omdat men was vergeten dat ze daar lag, waarna ze tien dagen niet werd gewassen omdat ze dat zelf moest doen want dat was beter voor de doorbloeding van haar vingers, terwijl ze die vingers door een neurologische aandoening al jaren niet meer kon gebruiken en door de thuiszorg moest worden gewassen, heb ik al heel lang niet meer zo’n hoge pet op van de medische stand. Eigenlijk is het bij nader inzien jammer dat meneer Oerlemans dáár niet met zijn camera bovenop stond. Had hij misschien nog iets goeds kunnen doen.

Ik verwijt het ziekenhuis de hele situatie. Hoe haalt iemand het in zijn botte hersens om te bedenken dat dit soort praktijken door de beugel zou kunnen? Dat iemand die op de spoedeisende hulp terecht komt met dit soort dingen geconfronteerd wil worden? En dat het de patiënten in veel gevallen pas achteraf werd verteld dat zij waren gefilmd? Dat cameramensen en Joost mag weten wie nog meer over de schouder van de arts konden meekijken?

Eerlijk gezegd bevestigt het eigenlijk alleen maar wat ik tijdens de ziekteperiode van mijn moeder al lang geleden heb geleerd: eigenlijk geeft niemand erom hoe de patiënt zich nu eigenlijk voelt. Denkt nu werkelijk iedereen dat het er niet toe doet en dat we als het puntje bij paaltje komt allemaal koste wat kost met onze neus op de tv willen? Zelfs als dat tijdens een bezoek aan de spoedeisende hulp is? Nou, ik kan je vertellen dat we niet allemaal Brit of Sterretje heten, en zelfs al zou dat wel zo zijn, dan zouden de artsen die hiermee akkoord zijn gegaan toch wel beter moeten weten. Ik vraag me in alle redelijkheid af hoeveel geld er mee gemoeid is geweest of eigenlijk moet ik zeggen, hoeveel geld het ziekenhuis hiervoor heeft ontvangen.

Het programma is na één aflevering van de buis gehaald. Ik hoop dat meneer Oerlemans en zijn collega’s er iets van hebben geleerd, evenals de medici die hieraan hebben meegewerkt, maar ik ben helaas bang dat dat misschien iets te optimistisch is gedacht.

Wednesday, February 22, 2012

Water


It's the middle of the night, literally, and I'm wide awake because I just found out there is a leak somewhere in the watermains and we hardly have any water. Twitter always seems to be a bit of a godsend in these kind of situations, because it always helps when I see someone tweeting about it and telling me that he/she has already called the police and they are working on it. Still, I don't feel good about it. Of course, I was lucky, because I'd just had a shower when it all happened and there's still enough water in the cat's waterbowls to get through the next 24 hours, by which time I will have gone to the supermarket to get some bottles of mineral water. The worst thing really is not being able to flush the toilet properly and starting to pour mineral water down the toilet would be a bit over the top really.

So, here I am, it's 2:32am and I'm sitting here, worrying. As you know, I'm a big, big worrier. I just can't help it. The cat is sleeping, totally oblivious and I wish I could be a bit like him. I had actually looked forward to going to bed, clean house, clean sheets, clean me and a holiday tomorrow, but no, it's not going to work like that anytime soon tonight ....

Saturday, February 11, 2012

De laatste halte


De laatste halte is een verhaal dat ik heb geschreven voor een schrijfwedstrijd in 2010. Ik was één van de winnaars en het verhaal is een jaar lang te beluisteren geweest in een bushalte op een transferium nabij Utrecht. 

Het duurde drie dagen voor het lichaam gevonden werd. Het was een wonder dat het niet eerder was ontdekt, want het lag in de bosjes vlag achter het bushokje, maar toen Tjeerd na een avondje stappen tot de conclusie kwam dat hij beter achter het hokje kon kotsen dan in de laatste bus, struikelde hij er bijna over.

Hij was nog nooit zo snel nuchter geweest al kon hij zijn ogen eerst niet geloven. De man lag op zijn rug en Tjeerd dacht dat hij bewusteloos was tot zijn blik bleef rusten op de bloederige rode snee dwars over de keel van het slachtoffer. Op dat moment kwam al het bier dat hij die avond geconsumeerd had naar boven en viel hij op zijn knieën naast het lijk, zijn lichaam schokkend van het kokhalzen maar niet in staat iets anders te doen dan te wachten tot het voorbij was.

Terwijl zijn maag zich omdraaide trok zijn bewustzijn zich terug in een heel klein plekje ergens in zijn achterhoofd en was het alsof hij zichzelf vanaf een afstand bekeek. Hij vroeg zich af waarom hij vanavond weer zo veel gedronken had. Het was niet de eerste keer dat hem dat overkwam, maar het was wel de eerste keer dat hij niet in staat was gebleken naar huis te komen voor zijn maag het liet afweten.

En het was ook de eerste keer dat hij over een lijk was gestruikeld.

Hij probeerde op te staan, maar zijn hoofd bonsde en zijn benen deden het niet meer. Hij merkte dat zijn handen trilden en toen kwam er een nieuwe golf, waardoor hij opnieuw voorover dubbel klapte. De wereld draaide om hem heen en hij dacht dat hij flauw zou gaan vallen, maar dat bleef hem gelukkig bespaard.

Hulp, hij had hulp nodig. Nog steeds voorover gebogen op zijn knieën graaide hij in zijn achterzak naar zijn mobieltje tot hij zich realiseerde dat dat geen enkele zin had, want hij was vergeten het op te laden. Dat had hij vanavond gemerkt toen hij Mariska wilde bellen. Hij had gedacht dat ze ook wel in Het Keldertje zou zijn, en toen het over elven werd en ze nog steeds niet was komen opdagen, had hij geprobeerd haar te bereiken, maar zijn mobiel had het na één keer proberen opgegeven.

Hij kokhalsde nog een keer, maar zijn maag was leeg en hij proefde de zurige smaak van bier in zijn mond. Hij keek naar het lichaam; het gezicht wit als stopverf, de donkere streep over de hals scherp afstekend tegen de huid. Zijn hart bonsde in zijn keel. Politie. Hij moest naar de politie.

Hij probeerde weer op te krabbelen, maar nog steeds werkten zijn benen niet helemaal zoals ze zouden moeten. Hij probeerde om hulp te roepen, maar er kwam slechts een schor gekraak uit zijn keel.

En toen viel zijn blik op de schoenen. Hij had niemand horen komen, maar dat kon hem niet schelen. Hier was hulp, hier was iemand die misschien een mobieltje bij zich had. Opluchting overspoelde hem.

Zijn blik gleed omhoog, over de spijkerbroek, het leren jack en het mes in de rechterhand van de man.

Het zou nog veel langer duren voor het lichaam opnieuw werd ontdekt.

Caroline van der Velde © 2010 

Monday, January 23, 2012

Koffie


“Laten we maar genieten van onze koffie zolang het nog kan,” hoor ik een zeurderige stem zeggen. Ik weet dat er aan het tafeltje achter me vier mensen zitten, maar terwijl ik me als een slangenmens tussen een tafeltje en een stoel doorwurmde heb ik niet erg op hen gelet. De vrouw klinkt oud, alsof ze al met één been in het graf staat.

“Als je ziet hoe Jannie er nu in dat ziekenhuis bijligt, moet je blij zijn dat jij het niet bent.”

Ze praat zo lijzig  dat ik moet denken aan een aangetrouwde tante, die inmiddels ook een eind over de tachtig is en die eens over een dominee zei, dat als hij ging praten, je tussen elk woord een pannenkoek kon bakken. In haar dialect klonk pannenkoek als “paaaaanenkoek” en bakken als “baaaaaken”. Ik ben blij dat ik nooit naar die dominee heb hoeven luisteren.

Praten over ziektes is echter niet voorbehouden aan oudere mensen. Ik heb een vriendin die het ook altijd over akelige kwalen heeft, en zij heeft ze allemaal zelf. Is het het één niet, dan is het wel het ander. Ik vraag me wel eens af wat haar gespreksonderwerpen zouden zijn als ze niet over haar aandoeningen zou kunnen praten. Op dit moment is het enige andere gespreksonderwerp haar echtgenoot, die niet genoeg begrip toont als ze weer eens beriberi of iets anders exotisch onder de leden lijkt te hebben. Ze zou het liefst zien, dat hij de hele dag naast haar bed zat om haar hand vast te houden.

Hij gaat echter gewoon zijn gang en kijkt naar voetbal op de t.v. of gaat een pilsje drinken met zijn maten, maar dat vindt zij helemaal niet leuk. Zij neemt het hem zelfs kwalijk als hij naar zijn werk gaat. Ik vraag me eerlijk gezegd wel eens af hoe hij het uithoudt.

Misschien is het een soort bezwering. Als ik alles maar bedenk wat me kan overkomen, dan gebeurt het misschien wel niet. Maar naar mijn gevoel is het net als heel hard schreeuwen in een tunneltje onder de spoorlijn als er een trein overheen raast of keihard zingen in de auto. Het lucht lekker op, maar het helpt geen moer. Vandaag of morgen krijg je zelf toch ook een akelige ziekte en ook hypochonders zijn daarop geen uitzondering.

Dus tot die tijd drinken we onze koffie en genieten ervan zolang het kan.

Friday, January 20, 2012

Ziek



Waarom praten oudere mensen zo vaak over akelige ziektes? Ik weet dat ziektes en andere ongemakken steeds meer ruimte in je leven gaan innemen naarmate je ouder wordt, maar als je op een mooie, droge en zonnige winterdag met je vriendinnen een kopje koffie gaat drinken in je favoriete koffieshop, dan hoef je daar toch niet voortdurend over te praten met een gezicht van oude lappen?

Ik weet dat ik zelf ook aardig knorrig begin te worden en sommige mensen in mijn buurt zullen dat ook volmondig beamen, maar alleen maar een gesprek voeren over de meest akelige ziektes die je je voor kunt stellen, helpt toch ook niet, zou je zo zeggen.

Het is in de koffieshop nu net Seks In the City vijftig jaar later, met veel meer rimpels en zonder de seks, en al helemaal zonder mannen, want die gaan allemaal veel vroeger dood dan de vrouwen. De sexy lingerie is vervangen door de degelijke Sloggi met ingebouwde baleinen om de flodderbuiken in toom te houden, de haren staan stijf in de permanent om de dunner wordende plekken te verbergen, er wordt niet meer over kinderen gepraat maar over kleinkinderen, die je gelukkig naar hun eigen thuis kunt terugsturen wanneer je hen stierlijk hebt verwend en hebt volgepropt met suiker, E-nummers en conserveringsmiddelen. Zodra het kotsen begint, mag moeder het weer overnemen.

Eigenlijk is oud zijn dus leuker dan dertig zijn. Als je dertig bent, zit je midden in de ratrace en moet je je voortdurend waarmaken. Als je een knorrig oud mens bent, kun je lekker vervelend doen tegen streberige dertigers, en wanneer ze vervelend terug doen, doe je net alsof je doof bent. Als je oud bent, heb je overal wel een antwoord op en dat betekent dat je die broekies toch de baas bent, wat je ook zegt of doet. Het kan je namelijk allemaal niet meer zoveel schelen want je hebt het allemaal al eens eerder meegemaakt.

In de koffieshop ontbreekt het maar aan één ding en dat zijn de cocktails. Als ze die er zouden verkopen en de klanten zouden stoppen met praten over ziektes en andere aanverwante narigheden, dan zou het er nog wel eens echt gezellig kunnen worden.

Ik heb ooit met een vriendin afgesproken dat wanneer we allebei in een gemotoriseerde invalidenwagen terecht komen, we dan op topsnelheid door het winkelcentrum gaan scheuren. Rijden we al die flitsende tieners met hun rare petten en afgezakte broeken zo van de sokken!

Dan wordt het pas echt leuk!

Sunday, January 08, 2012

Goede voornemens


Foto: Caroline van der Velde (Bluejay_pix)

Het is januari en de goede voornemens vliegen je aan alle kanten om de oren. Ik word er behoorlijk knorrig van, want, nee, ik DOE niet aan goede voornemens, ik HEB er nooit aan gedaan en ik ZAL er ook nooit aan gaan doen.

Aangezien de meeste mensen om me heen hun goede voornemens toch niet volhouden en ik van mezelf wel weet dat ik daar waarschijnlijk ook bij zou gaan horen als ik er wel aan deed, zie ik niet in waarom ik er tijd en moeite aan zou verspillen. En wat zou mijn goede voornemen dan wel moeten zijn?

Ik ben al meer dan vijf jaar geleden gestopt met roken. Niet op 1 januari, maar zomaar op een dag in mei. Ik werd ineens wel heel erg bang voor kanker. Dat hielp.

Ik heb al jaren last van overgewicht. Dat wil zeggen, ikzelf heb er niet direct last van, maar de mensen om me heen wel. Ze zeggen dat wel niet zo recht voor z’n raap, of MIJN raap in dit geval, maar ik weet best wat ze denken. En ze hebben gelijk. Het is ongezond en het ziet er niet uit.

Wat de meeste mensen echter niet weten, is, dat ik al mijn hele leven heb gejojood en dat ik elke keer na zo’n ‘jo’ weer een beetje zwaarder werd dan de ronde ervoor, dus dat het netto rendement van mijn (zeer strenge) lijnen altijd weer meer kilo’s waren. Ik weiger dus nog langer mee te doen aan deze gekte, waarbij men van me verwacht dat ik er uitzie als een wandelende tak. Mijn bloeddruk is die van een jonge meid (en geloof me, die is dit afgelopen jaar heel wat keren opgemeten) en de laatste keer dat mijn cholesterol werd nagekeken was daar ook niets mis mee. Dus ik ben en blijf dik. Heb je er moeite mee? Pech gehad. Ik ben beslist niet van plan mijn lubberende kwabben in de een of andere sportschool en plein public ten toon te spreiden. Er zijn dingen die ik mezelf en mijn medemens niet wil aandoen. Bij mij om de hoek zit een sportschool. Met enorm grote etalageruiten, zodat de buitenwereld leuk kan meegenieten van alles wat zich daarbinnen afspeelt. Nee, mij niet gezien …

Alcoholgebruik. Daar kan ik kort over zijn. Ik ga niet meer drinken, maar ook niet minder. Bovendien wordt er nog altijd gezegd dat een glas rode wijn goed is voor het hart en de bloedvaten.

Beter mijn best doen? Harder werken? Ik werk al vanaf mijn vijftiende en ik ben nog nooit een dag werkloos geweest. Dat heeft natuurlijk ook met een zekere mate van geluk te maken, maar nog veel meer met inzet en betrokkenheid bij het werk. Ik ben er altijd vol voor gegaan en dat zit er zo ingebakken dat dat wel niet meer zal veranderen. Soms wel jammer, want het kost erg veel vrije tijd.

Hobby’s. Het is een goed idee om daar eens serieus over na te denken. Eigenlijk wil ik veel meer gaan lezen. Vorig jaar heb ik het voor elkaar gekregen om meer dan honderd boeken te lezen. Dat is een gemiddelde van ongeveer twee boeken per week. Daar ben ik trots op en dat wou ik graag zo houden. Met schrijven ligt het helaas een beetje anders. Ik zit te vaak te wachten op een goed idee en als dat niet erg wil vlotten, schrijf ik dus niet. Ik moet me er toe gaan zetten om per dag een bepaalde tijd te schrijven of te redigeren. Iets, wat dan ook. En op een vast tijdstip per week een weblog posten. Moet te doen zijn. Maar dit is beslist geen goed voornemen. Dit is een overpeinzing.

Misschien moet ik weer eens een cursus gaan volgen, maar dan wel één die ik zelf heb uitgezocht en die niets te maken heeft met mijn werk. Ik denk aan filosofie. Dat heb ik nog nooit gedaan. Cultuurgeschiedenis lijkt me ook wel wat. Wie weet.

Ik beloof niets, want ik heb geen goede voornemens, weet je nog? Kortom, zoals elk jaar zal er wel niet al te veel veranderen.

Ik wens iedereen het allerbeste met zijn of haar voornemens.

Ik pas!

Saturday, December 31, 2011

Crisis


Foto: Caroline van der Velde (Bluejay_pix)


Het is weer 31 december. Het is half elf in de morgen en ik moet zo meteen even naar buiten om mijn camerastatief uit de berging te halen, maar eigenlijk durf ik niet, want de rotjes en heel wat zwaarder geschut vliegen je om de oren. Groepjes kinderen van tussen de tien en vijftien jaar oud zwerven door de wijk met rugzakjes vol vuurwerk. Eén verdwaald rotje in zo’n rugtasje en een kind wordt onthoofd! Welke normaal denkende moeder laat een kind op die manier de hele dag rondsjouwen met zo’n bom op zijn rug?

Waarschijnlijk zijn die moeders net als de blonde Barbie look-alike, die gisteren achter de kassa zat bij de supermarkt.

“Het regent!” pruilde ze, terwijl ze haar zwaar gemanicuurde vingers bevallig door haar extreem blond gestylde haar haalde. Uiteraard niet voor mijn plezier, te zien aan de manier waarop ze over mijn schouder naar iemand lonkte. Ik deed er niet eens de moeite voor om te kijken waar haar blik naar toe werd getrokken. Hoogstwaarschijnlijk een mannelijke versie van haarzelf. Zo’n metromacho, die ’s ochtends waarschijnlijk nog langer voor de spiegel staat dan zijzelf.

“Waarom is dat zo erg?” vroeg ik. “Je zit toch lekker binnen?”

“Misschien regent het dan op Oudejaarsavond ook wel.” Ze had de pruillip waarschijnlijk voor de spiegel geoefend.

“Het duurt nog twee dagen voor het zover is,” zei ik. “Het kan nog alle kanten op. Maar eerlijk gezegd mag het van mij warm water gaan regenen tot minstens twee januari.”

“Oh, nee toch!”  riep Blondie met afschuw uit. “En het is toch altijd zo geweldig leuk!”

De hand wapperde weer door het blonde haar, nu gevolgd door een zwiep van haar hoofd, zodat het haar ook nog eens bestudeerd bevallig om haar oren wapperde. Het leek Hans Klok wel, maar zij had geen windmachine nodig.

“Vind ik niet.”

Ik bemerkte dat ik als een mopperende oude vrouw bezig was, maar dat was ik bij nader inzien ook. Tenminste in haar ogen. Ik vond opeens dat ik als mijn moeder klonk. Die had ook altijd een hekel gehad aan vuurwerk omdat het haar aan de oorlog deed denken, maar toen zij nog leefde was het lang niet zo erg als nu met het vuurwerk.

Ik geef toe dat ik er tegenwoordig bang van ben. De knallen zijn veel harder dan anders en elke keer als er weer een bom afgaat vlak onder mijn raam, schrik ik me rot. Kinderen die zich totaal niet realiseren waar ze mee bezig zijn, steken illegale bommen af. De poes is dagenlang van streek en dan heb ik het nog niet eens over de ouderen en de mensen met honden, die dagenlang de straat niet opdurven. Hier aan de overkant roept de buurvrouw al de hele middag om Tommie. Tommie is haar poes en die is al de hele middag zoek. Wat moet er van het beestje terecht komen als hij niet voor middernacht binnen is? Ik hou mijn hart vast.

Blondie ratelde ondertussen door.

“Ik heb er echt zin in,” zei ze, terwijl ze met haar centimeters lange nagels de boodschappen over de scanner haalde. “Je hebt tegenwoordig van die ondergrondse vuilcontainers. Dat geeft een lekkere knal. Je gooit het vuurwerk er gewoon in en doet de klep dicht. Leuk, joh!”

Ik betrapte mezelf er bijna op dat ik haar als een rechtgeaarde schoolfrik bijna vermanend toesprak over dat “joh”, maar ik wist het nog net binnen te houden. Het hielp wel dat mijn mond bijna was opengevallen van verbazing. Dit was geen kind die er geen idee van had wat voor vernielingen ze op die manier kon veroorzaken. Dit was een volwassen vrouw! Zo één die mag stemmen en kinderen opvoeden.

“Durf je dat dan?” vroeg ik.

De boodschappenband viel even stil.

“Hoezo?” vroeg ze. “Da’s toch leuk?”

Ik haalde mijn schouders op en begon de boodschappen in te pakken.

“Ik zou bang zijn voor de boete,” zei ik. “Die zijn tegenwoordig niet mis. Misschien krijg je zelfs wel een taakstraf, want als je je eigen pasje gebruikt om zo’n container open te maken en je blaast hem op, dan kunnen ze zo achter je adres komen. Dat gaat tegenwoordig allemaal digitaal.”

Dit was er het voordeel van dat ik een oud en chagrijnig wijf ben. Ik had er werkelijk geen idee van of ik wel de waarheid had gesproken, maar ik zag met enig leedvermaak dat ik toch even een domper op de oudejaarspret had weten te drukken en daarmee waarschijnlijk meteen een vuilniscontainer van de vernietiging had weten te redden.

Blondie kakelde alweer verder tegen het volgende slachtoffer in de rij.

“Leuk, he? Oudejaar!”

Ik was er plotseling zeker van dat ze nu alweer vergeten was wat ik zojuist had gezegd.

Ik zuchtte, me verbazend over de gekte die weer over Nederland zou komen. Voor minstens 60 miljoen Euro gaat er vanavond de lucht in, het meeste binnen een half uur tijd. Voor nog vele miljoenen meer zal er worden vernield, want geen feest is tegenwoordig compleet als er geen bushokjes worden opgeblazen en de ME en de brandweer niet hoeven uit te rukken. Ambulancepersoneel wordt bedreigd en normale mensen houden hun hart vast.

Crisis? Laat me niet lachen. Zolang we nog zoveel kunnen verspillen, is er geen crisis. Toen de vuurwerkverkoop gisteren begon, vroeg een journalist aan mensen die het kwamen kopen, hoeveel geld ze uitgaven. Gemiddeld kwam dat op zo’n € 200,- per persoon. Een eenvoudig vuurwerkpakket kost al ongeveer € 100,-. De ziektekostenverzekering gaat dit jaar weer drastisch omhoog. Het vuurwerkbedrag zou kunnen worden gebruikt om de verhogingen in de gezondheidszorg misschien wel geheel te dekken. Maar wij kiezen ervoor om het met z’n allen de lucht in te blazen. De wereld is gek geworden. Ik ben hier beslist te oud voor. Ik hoop dat Tommie op tijd binnen is.